Sanne Kabalt

Iemand anders

Sanne Kabalt

#3 van een serie blogs vanuit Het Vijfde Seizoen, het kunstenaarsverblijf op het terrein van de psychiatrische instelling Willem Arntsz Hoeve/Altrecht in Den Dolder, waar ik woon en werk in april, mei en juni 2016. 

Je inbeelden hoe het is om iemand anders te zijn dan jezelf. Je inbeelden hoe het is om iemand te zijn die psychoses heeft, iemand die stemmen hoort, iemand die zichzelf niet aan- en uit kan kleden, iemand die pijn heeft in z’n lichaam die veroorzaakt wordt door z’n geest.

Als je hier over het terrein loopt kan je het niet helpen je bij iedereen die je tegenkomt af te vragen: Is hij ziek? Is zij ziek? Ik probeer dat mechanisme uit te zetten. Het lukt me niet. Ik stel open vragen als: ‘Waar kom je vandaan?’ of ‘Wat heb je vandaag gedaan?’ niet alleen omdat ik benieuwd ben naar iemands dag, ook omdat ik wil (of moet?) weten of ze patiënt zijn of niet.

Ik eet mee op een gesloten afdeling. Na de pasta met gorgonzolasaus, gemaakt door één van de patiënten, is er een rondje waarbij iedereen vertelt hoe z’n dag is geweest. De een had een simpele dag, de ander een zware dag met hoofdpijn. Het zijn allemaal kerels en een van de grootste, een bonk mannelijkheid, vertelt als het zijn beurt is dat hij het helemaal niet fijn vind dat er nu zo veel mensen zijn. Ik en mijn stagiaire, we zijn te veel.

Voorbereiden van een taartenmiddag bij het Vijfde Seizoen

Voorbereiden van een taartenmiddag bij het Vijfde Seizoen

Uitzicht uit een van de ramen van de residentie

Uitzicht uit een van de ramen van de residentie

Een patiënt vertelt me dat ze geen groepstherapie meer doet. Alle emoties, alles wat er langskomt aan verhalen, verdriet en boosheid, dat zuigt ze op, dat neemt ze over.  Het is te veel. 

Een ervaringsdeskundige vertelt haar verhaal. Een zwaar verhaal. Bijna te zwaar om te dragen. Ik kijk naar de andere luisteraars. Velen houden hun hand voor hun mond. Velen hebben hun armen om zichzelf heen gevouwen. Ze lijken zichzelf te beschermen. Ik ook, besef ik. Eén arm bedekt mijn buik, één arm bedekt mijn nek.  

Er is een man die veel rondfietst. Ik wilde bijna zeggen: zonder doel. Maar dat weet ik eigenlijk niet. Het doel is niet één plaats om heen te gaan, maar misschien is er een heel ander doel. Elke keer als ik hem tegenkom – dat zijn heel wat keren – hervat hij ons eerdere gesprek alsof er geen pauze is geweest. Hij vind het hier niet fijn. ‘Ik heb niemand eigenlijk, dat vind ik zo kut, ik ben helemaal alleen op de wereld, ja.’ Hij zegt het zachtjes. Ik zoek zachtjes naar een antwoord dat helpt.